Door:
Charissa Bakema
Las dit gedicht van Bonhoeffer. Dacht: moet toch een echt mens geweest zijn dan! Hou van echte mensen.
Wie ben ik? Ze zeggen me vaak dat ik zo beheerst en opgewekt met vaste tred mijn cel verlaat, als een burchtheer zijn kasteel. Wie ben ik? Ze zeggen me vaak dat ik praat met mijn bewakers, vrij en vriendelijk en open, also ik het voor het zeggen had. Wie ben ik? Ze zeggen me ook dat ik de dagen van ongeluk bedaard verdraag glimlachend en trots als iemand die gewend is te winnen.
Ben ik echt wat anderen van me zeggen? Of ben ik alleen maar wat ik van mezelf weet? onrustig, verlangend, ziek, als een vogel in zijn kooi snakkend naar levensadem, alsof iemand me de keel dichttkneep hongerend naar kleuren, naar bloemen, naar gezang van vogels, dorstend naar een goed woord, naar nabijheid van mensen, bevend van woede om willekeur en de geringste krenking, opgejaagd door het wachten op grote dingen, machteloos bezorgd om vrienden eindeloos ver weg, te moe en te leeg om te bidden te denken te werken, murw en bereid om afscheid van alles te nemen? Wie ben ik? De een of de ander? Ben ik dan vandaag deze en morgen een ander? Ben ik beiden tegelijk? Voor de mensen een huichelaar en voor mezelf een verachtelijk huilerige slappeling? Of lijkt, wat in mij is, op een verslagen leger, in wanorde vluchtend bij een al gewonnen slag? Wie ben ik? eenzaam vragen drijft met mij de spot. Wie ik ook ben, U kent mij, ik hoor U toe,o God! Diettrich Bonhoeffer, 1944
|