Hopeloos hoopvol (blog 1)

66196882-4CD2-42A5-9124-44A74001ADDA

In de vakantie is het heerlijk om tijd te hebben een boek langzaam te lezen en te verwerken. Tijdens festival Geestdrift vorig jaar sprak John Caputo en daarna kocht ik zijn boek. Caputo beschrijft in dit boek zijn spirituele reis van het katholieke jongetje in de jaren 50 tot de postmoderne filosoof ‘na de dood van God’ waarbij hij ondanks alles blijft vasthouden aan het koninkrijk van God. Hij is op zoek naar een religie zonder religie en noemt dit ‘de religie van de roos’. Ik probeer in eigen woorden te vertellen wat hij schrijft:

 

 

“Caputo laat zich inspireren door verschillende mystici die met flinke klappen doorstoten naar de kern vd religie, terwijl ze tegelijk outsiders zijn die de machthebbers ontzenuwen. De mystici die veelal schrijven en spreken over datgene, ‘iets’ wat vaak niet in woorden of beelden uit te drukken is. Over het ‘iets’ wat we allemaal waarnemen, maar niet goed kunnen duiden.

Wat geloven we? En waarom?  Doen we het omwille van iets anders? Of doen we omwille van dat ‘iets’ zelf? We geloven opdat we gered zijn? Omwille van het eeuwige leven? Of is er ook iets anders?  De mystici hebben ons op een diep onderscheid gewezen; niet het onderscheid tussen tijd en eeuwigheid, maar dat tussen de tijd van de economie (voorwaardelijke) en de tijd van het geschenk (onvoorwaardelijke). Het kenmerk van onze toestand als mens is dat we leven met beide.

Caputo vindt echter dat de traditionele religie teveel wordt bepaald door het economisch denken. Hij zet hier een religie tegenover die zich niet door winnen laat leiden, maar door geven en die leven en dood met elkaar verweeft.”

Hier laat ik het maar even bij. Ik zal niet zeggen dat het een makkelijk boek is, eerder mega-moeilijk. Maar ik lees er nu al wijsheid in. Met mijn hoofd begrijp ik het nog niet, maar mijn hart en mijn huid zeggen direct ‘amen’ en die zijn over het algemeen sterker verbonden met ‘het onvoorwaardelijke’ dan mijn hoofd. Dat is ondanks dat ik er niet bijster veel talent in heb, afgestemd op het economische (voorwaardelijke).

vragen die bij mij opkomen naar aanleiding van dit eerste stuk zijn:

– geloven in de zin van economisch (voorwaardelijk )betekent dat er een reden is waarom ik geloof. Als ik geloof krijg ik daar iets voor terug. De hemel, liefde, genezing, hulp, een goed karakter, mooi weer; oh zeker heb ik God al deze zaken voorgelegd: ‘ik geloof dus ik heb nu hulp nodig. Ik geloof dus ik mag vragen om mooi weer. Voor wat hoort wat.’  De gedachten zijn mij niet vreemd. De God achter deze gedachten moet dus ook voorwaardelijk zijn. Het is de jurische God, de rentmeester, die uiteindelijk oordeelt over mijn leven. Als ik vanuit het onvoorwaardelijke probeer te denken ‘het geschenk’, iets dat me gegeven is zonder voorwaarden; en ik stel me voor dat dat mijn leven is dat me door God geschonken is zonder voorwaarden, wat betekent dat dan voor mijn economische inslag? Als er niets meer te berekenen valt? En voor God? Het eerste wat bij me opkomt is ongemak.  Er is niets meer te bediscussiëren, te onderhandelen, te verwerven, te bepleiten. En als dat er niet is, is er dan wel een relatie mogelijk? Hoort dat gestechel, onderhandelen en gediscussieer er niet juist bij? Ik ben getriggerd door de gedachte van het onvoorwaardelijke. Ik ga eens broeden op hoe dat er dan uitziet.  Als je een goede tip of gedachte hebt hoor ik het graag.

 

 

Geef een reactie