Knakkende knieën en een prik van een hommel.

De dode takken knisperen en kraken onder mijn voeten. In de verte zie ik een boom dwars over het pad liggen. Maar weinig bomen vertonen jonge groene blaadjes. Ik hoor geen vogels, het is alsof slechts enkele bomen nog zuchten.  Of is het een specht? De rest heeft het leven achter zich gelaten, die indruk krijg ik tenminste. Vanaf de landweg zijn we een wandelpad door het bos ingeslagen, maar zo’n doods bos heb ik zelden gezien.

Is het de droogte van vorige zomer die hier nog te zien is? Heeft dit stuk bos zich niet kunnen herstellen? Of zie ik door de Corona-pandemie plotseling de dood overal? Zie ik eerder de droge dorheid dan het nieuwe groen? Het zou kunnen en het geeft wel iets aan over hoe ik me zorgen maak denk ik. Het past ook goed bij de lijdensweek die we ingaan nu.
De regenboogprins, lief en ik volgen nu een onduidelijk pad. Na een tijdje blijkt dat dat pad uitkomt bij het erf van een boerderij. We lopen terug en volgen een ander pad. Bijna geruisloos houdt het op en we dwalen dan direct door het knisperende bos. De regenboogprins begint te mopperen. De struikjes waar we doorheen lopen prikken in zijn benen en hij denkt dat we het bos nooit meer uit komen. Lees verder →

40 dagen: de levensparel (Ebba Pauli)

46979F82-BB8F-4F74-82CF-7707CBB9832D

Een oude vrouw beklom moeizaam de tien trappen van het oude  flatgebouw waar de kluizenaar woonde. Bij de verdieping waar ze moest zijn bleef ze even uithijgen en keek uit over de stad. Ze zag de wijk waar haar dochter woonde met haar kinderen. Ze zag de school van haar kleinkinderen. Ze zag het centrum waar haar zoon een duur appartement bewoonde. Ze zag haar eigen oude stadswijk waar ze nu al bijna 50 jaar woonde. Ze keek naar de lucht boven de skyline. Een goudrode gloed hing boven de stad.  Lees verder →

De afgrond, deel 4.

Ik denk na over twee zinnen die een paar dagen geleden plotseling in mij opkwamen.

Het is onontkoombaar. We zijn hier op onszelf. Er is geen God’. Een angstwekkende gedachte voor iemand die altijd een Aanwezigheid heeft ervaren buiten en in zichzelf. De volgende gedachte was: ‘Het komt er dus op aan te leven volgens de wet van de Liefde en Goedheid, te leven alsof God er wel is. Dat is de enige weg.”

Ik eindigde afgrond deel drie met de volgende vragen:

Mocht God er toch zijn, hoe is hij dan aanwezig? En op welke manier verhoudt God zich tot mensen?

Lees verder →